Op 30 januari 2026 is coalitieakkoord van het nieuwe kabinet gepresenteerd. In dit coalitieakkoord voor 2026–2030 zet het kabinet stevig in op hervormingen van de arbeidsmarkt en het stelsel van werk en inkomen. In het hoofdstuk “Nederland werkt” wordt duidelijk dat de komende jaren in het teken staan van activering, vereenvoudiging en een herijking van risicoverdeling tussen werkgevers, werknemers en overheid. Hieronder zetten wij de belangrijkste aandachtspunten uiteen.
Werkzekerheid
Een centrale gedachte in het akkoord is dat mensen sneller van werk naar werk moeten kunnen bewegen. In een krappe en snel veranderende arbeidsmarkt moet stilstand worden voorkomen. Het kabinet wil daarom de route van werk naar werk stimuleren en dit de hoofdroute maken, zowel bij (dreigend) ontslag als bij een vrijwillige overstap of wanneer het werk te zwaar wordt.
Daarbij wordt het ontslagrecht op onderdelen aangepast. In het afspiegelingsbeginsel komt meer ruimte voor de menselijke maat; persoonlijke omstandigheden kunnen zwaarder meewegen. Ook het concurrentiebeding wordt gemoderniseerd, met als doel werknemers meer ruimte te geven. Voor werkgevers betekent dit dat er bij reorganisaties en uitstroom meer maatwerk toegepast kan worden en dat er mogelijk kritischer moet worden gekeken naar het gebruik van beperkende bedingen.
Transitievergoeding en scholing nauwer verbonden
De transitievergoeding wordt hervormd en nadrukkelijk gekoppeld aan de LLO-infrastructuur (Leven Lang Ontwikkelen). Het uitgangspunt is dat de vergoeding daadwerkelijk bijdraagt aan de overstap naar ander werk. Werkgevers die aantoonbaar en tijdig investeren in scholing, omscholing of re-integratie kunnen rekenen op lagere of zelfs geen verplichtingen ten aanzien van de nieuwe transitievergoeding.
Tegelijkertijd wordt de huidige compensatieregeling voor de transitievergoeding na twee jaar ziekte afgeschaft. Dit raakt met name werkgevers die langdurig zieke werknemers uit dienst moeten laten gaan. Daar staat tegenover dat het kabinet inzet op vereenvoudiging en hervorming van het arbeidsongeschiktheidsstelsel, dat nu als vrijwel onuitvoerbaar wordt bestempeld.
Hervorming van loondoorbetaling en arbeidsongeschiktheid
De termijn van loondoorbetaling bij ziekte wordt als zwaar ervaren, met name in het midden- en kleinbedrijf. Het kabinet wil deze regeling werkbaarder maken voor werkgevers, zonder de prikkel tot re-integratie volledig los te laten. Daarbij worden administratieve verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter versoepeld en moet meer duidelijkheid komen over verplichtingen en sancties.
Daarnaast wordt toegewerkt naar een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid, waarbij de focus verschuift naar snelle en effectieve begeleiding naar werk. Het uitgangspunt hierbij is dat investeren in re-integratie gaat lonen en er een zeker en fatsoenlijk vangnet wordt geboden. Dit betekent dat de eerste ziekteperiode al nadrukkelijk in het teken staat van terugkeer naar arbeid, al dan niet bij een andere werkgever.
WW korter, maar in het begin hoger
Ook de Werkloosheidswet wordt aangepast. De uitkering wordt in de eerste periode hoger, maar de totale duur wordt verkort naar één jaar. De opbouw en verzilvering van rechten worden aangescherpt. De bedoeling is dat werknemers sneller worden geactiveerd om passend werk te vinden, terwijl zij in de eerste maanden voldoende financiële zekerheid en rust ervaren om gericht te solliciteren.
Meer duidelijkheid voor zelfstandigen
De positie van zelfstandigen krijgt eveneens aandacht. Het kabinet wil zo snel mogelijk, gefaseerd de Zelfstandigenwet invoeren en introduceert een rechtsvermoeden van werknemerschap uit de wet Vbar (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden) voor zelfstandigen met een laag uurtarief. Daarmee wordt schijnzelfstandigheid nadrukkelijker aangepakt en blijft er tegelijkertijd ruimte voor echte zelfstandigen.
De basisverzekering arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen wordt voortgezet, met een mogelijkheid om privaat te verzekeren. Voor opdrachtgevers is het van belang om arbeidsrelaties kritisch te beoordelen, omdat het risico op herkwalificatie toeneemt.
Cao’s, discriminatie en werkgeverschap
Cao’s blijven een belangrijke pijler onder arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Het kabinet wil het draagvlak vergroten en het instrument moderniseren, onder meer door regeldruk binnen cao’s te verminderen. Daarnaast wordt arbeidsmarktdiscriminatie expliciet aangepakt; van werkgevers wordt verwacht dat zij actief beleid voeren tegen discriminatie op de werkvloer bij werving en selectie.
In (semi-)publieke sectoren (zoals de zorg en onderwijs) wordt goed werkgeverschap nadrukkelijk gestimuleerd om te zorgen dat mensen in dienst blijven. Sociale innovatie (het vernieuwen van de arbeidsorganisatie) wordt hierbij als sleutelbegrip genoemd.
Balans tussen werk en privé
Tot slot blijft de inzet op bijna gratis kinderopvang overeind, waarbij de grootste toeslag zal worden afgeschaft. Daarmee verdwijnt een belangrijke bron van financiële onzekerheid voor werkende ouders. De boodschap is duidelijk: werken moet lonen, ook wanneer de uren worden uitgebreid.
Wat betekent dit in de praktijk?
Het coalitieakkoord markeert een duidelijke koerswijziging. Het accent verschuift van bescherming van de bestaande positie naar het faciliteren van beweging op de arbeidsmarkt. Werkgevers krijgen op onderdelen verlichting, bijvoorbeeld bij ziekte en re-integratie, maar worden ook aangesproken op hun rol in scholing, goed werkgeverschap en het voorkomen van discriminatie. Ook voor werknemers verandert er veel: er komt meer ondersteuning bij ontwikkeling en werk-naar-werk, de WW wordt in het begin hoger maar wordt verkort naar één jaar en het stelsel van werk en arbeidsongeschiktheid activerender wordt ingericht.





