Wet franchise: de kwalificatievraag
Jouw overeenkomst heeft misschien niet de titel ‘franchiseovereenkomst’, maar toch kan de rechter die overeenkomst wel zo kwalificeren, en andersom. Sinds 1 januari 2021 is de franchiseovereenkomst specifiek geregeld in het Burgerlijk Wetboek (BW). De Wet franchise introduceerde een beschermend kader voor franchisenemers: van het precontractueel informatiedocument en de standstill-periode tot instemmingsrechten, goodwillafspraken en non-concurrentiebedingen. Al die bescherming geldt voor wie daadwerkelijk onder de wet valt. De eerste, fundamentele vraag is dan ook of jouw overeenkomst kwalificeert als franchiseovereenkomst in de zin van artikel 7:911 BW.
Wat zegt de wet?
Artikel 7:911 lid 1 BW definieert de franchiseovereenkomst als de overeenkomst waarbij de franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten.
Het kwalificatieproces
Voor iedere kwalificatievraag geldt allereerst: de titel die partijen een overeenkomst geven, is niet doorslaggevend. Wie een overeenkomst 'distributieovereenkomst' noemt, kan toch gebonden zijn aan de Wet franchise, en omgekeerd. Het belangrijkste zijn de rechten en verplichtingen die partijen zijn overeengekomen.
Het kwalificatieproces kent twee fases: de uitlegfase en de kwalificatiefase. In de uitlegfase wordt – aan de hand van de Haviltex-maatstaf – vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.¹ Het gaat niet uitsluitend om de taalkundige uitleg, maar ook om wat partijen over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden.
Nadat de inhoud van de overeenkomst is vastgesteld, wordt in de kwalificatiefase beoordeeld of deze rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke definitie van een franchiseovereenkomst. Als dat zo is, is sprake van een franchiseovereenkomst; ook als partijen dat nooit zo hebben bedoeld. Bij de kwalificatie is hun bedoeling niet relevant; het gaat om de objectieve kenmerken van de overeenkomst.²
Kwalificatiekwesties in de rechtspraak
De kwalificatievraag is in de praktijk veelvuldig het onderwerp van discussie. Zo ook begin dit jaar bij de Rechtbank Midden-Nederland in kort geding.³ Gedaagde had de samenwerkingsovereenkomst met eiser voor de overeengekomen einddatum opgezegd. Volgens eiser was die opzegging niet rechtsgeldig, omdat het een franchiseovereenkomst betrof die niet zomaar opgezegd kon worden. De vordering van eiser tot nakoming werd afgewezen, omdat onduidelijk was hoe de samenwerkingsovereenkomst precies gekwalificeerd moest worden. Daarvoor was een kort geding niet geschikt.
Ook op het hoogste niveau stond de kwalificatievraag op de agenda. Op 28 mei 2026 verscheen de conclusie van A-G Van Peursem in de cassatieprocedure over de dealer- en reparateurovereenkomsten van Stellantis.⁴ Een uitgebreide bespreking van deze conclusie past niet in dit bestek, maar in de kern komt het erop neer dat, hoewel de overeenkomsten van Stellantis ‘franchiseachtige kenmerken’ hebben, zij niet voldoen aan de wettelijke definitie van een franchiseovereenkomst. Deze conclusie is de moeite van het lezen waard. Dit geldt te meer nu de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 juli 2026 niet op de kwalificatievraag is ingegaan, maar het ingestelde cassatieberoep op formele gronden heeft afgewezen
Kenmerkend voor franchise
Voor de kwalificatie van franchise is beslissend of de ondernemer daadwerkelijk een franchiseformule exploiteert of dat hij vooral deel uitmaakt van een distributienetwerk. Volgens de A-G is de essentie van franchise dat de franchisenemer het recht en de verplichting krijgt om het bedrijfsconcept van de franchisegever te exploiteren. De formule moet bepalend zijn voor een uniforme identiteit en uitstraling van ondernemingen. Het opleggen van (veel) voorschriften maakt een overeenkomst nog niet tot een franchiseovereenkomst.
Conclusie
Onthoud: de naam van een overeenkomst doet er niet (uitsluitend) toe; het gaat om de objectieve rechten en verplichtingen van partijen. Kwalificeert jouw overeenkomst als franchiseovereenkomst? Dan is de Wet franchise van toepassing. Zo niet, dan gelden de beschermende regels uit die wet niet, ook al lijkt de samenwerking sprekend op franchise.
¹ Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat niet (alleen) de taalkundige uitleg van een overeenkomst doorslaggevend is om te bepalen wat partijen zijn overeengekomen, maar ook de betekenis die partijen aan (de tekst van) de overeenkomst mochten toekennen. Daarnaast wordt gekeken naar de omstandigheden van het geval en hetgeen partijen over en weer van elkaar mochten verwachten.
² Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034 (Inscharing-arrest).
³ Rechtbank Midden-Nederland 27 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:425
⁴ Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:506.







