Langdurige inzet van uitzendkrachten: Hoge Raad zet de lat hoger

Langdurige inzet van uitzendkrachten: Hoge Raad zet de lat hoger

De Hoge Raad heeft zich eind 2025 uitgesproken over de vraag wanneer langdurige inzet van een uitzendkracht overgaat in misbruik van de uitzendconstructie (ECLI:NL:HR:2025:1733). In deze zaak, beter bekend als de Upfield-zaak, werkte een ingeleende werknemer maar liefst dertien jaar via verschillende uitzendbureaus bij dezelfde inlenende onderneming. Na sluiting van de fabriek viel hij buiten het sociaal plan en stelde hij dat feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst met de inlener. De Hoge Raad biedt in dit arrest belangrijke handvatten voor werkgevers die structureel gebruikmaken van flexibele arbeid.

In deze zaak was een ingeleende werknemer van 2009 tot 2021 via verschillende uitzendbureaus werkzaam bij Unilever. Na de verkoop van de margarine-activiteiten aan het bedrijf Upfield werd de productie afgeschaald en werd een sociaal plan opgesteld. Dat sociaal plan gold uitsluitend voor werknemers met een arbeidsovereenkomst bij de onderneming zelf en niet voor ingeleend personeel. De uitzendkracht viel daardoor buiten de regeling van het sociale plan en stelde dat feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst met de inlener. Volgens hem was door de langdurige inzet misbruik gemaakt van de uitzendovereenkomst en moesten de cao en het sociaal plan alsnog op hem worden toegepast.

De kernvraag in deze procedures, die al sinds 2022 bij de rechtbank en het hof spelen, was of hier sprake was van een zodanig langdurige terbeschikkingstelling dat het tijdelijke karakter van uitzendarbeid was verdwenen. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden eerder dat van misbruik geen sprake was en wezen de vorderingen af. De ingeleende werknemer ging daarop in cassatie.

De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van artikel 5 van de Europese Uitzendrichtlijn lidstaten verplicht zijn maatregelen te treffen om misbruik van opeenvolgende uitzendovereenkomsten te voorkomen. Volgens de Hoge Raad moet worden aangenomen dat sprake is van misbruik van de uitzendconstructie als de duur van de inzet langer is dan wat, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs nog als “tijdelijk” kan worden aangemerkt, én voor die daadwerkelijke duur geen objectieve rechtvaardiging bestaat.

Hoewel het inzetten van een ingeleende werknemer gedurende dertien jaar onmiskenbaar een sterke aanwijzing vormt voor mogelijk misbruik, benadrukt de Hoge Raad dat langdurige inzet niet automatisch onrechtmatig is. Doorslaggevend is of de inlener een adequate objectieve verklaring kan geven voor het structureel inzetten van dezelfde uitzendkracht zodat dit geen strijd oplevert met artikel 5 van de Europese Uitzendrichtlijn.

Dit arrest laat zien dat een beroep op het (langdurig) gebruik willen maken van een ‘flexibele schil’ geen vrijbrief voor de werkgever is. Het is belangrijk om periodiek te toetsen hoe lang dezelfde uitzendkracht ingezet wordt, of de werkzaamheden daadwerkelijk tijdelijk en wisselend van aard zijn en of de werkzaamheden niet beter in een vast arbeidscontract kunnen worden ondergebracht.

Share on XShare via emailShare on LinkedIn

Ga naar
kantoren

Ga naar kantoren