Wanneer een onderneming haar activiteiten stopt en een andere onderneming een deel daarvan voortzet, kan sprake zijn van een overgang van onderneming. Maar wanneer is daarvan daadwerkelijk sprake? In een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2026:7995) stond de vraag centraal of voldoende aannemelijk was dat een overgang van onderneming had plaatsgevonden. Zelfs wanneer het UWV en de curator menen dat sprake is van een overgang van onderneming, kan de rechter tot het oordeel komen dat nader bewijs nodig is. Maar wat betekent dit voor de betrokken werknemers?
Wat speelde er?
Een werknemer was in dienst bij een onderneming die zich bezighield met de productie van banketbakkerswerk. Op 1 april 2026 stopte deze onderneming haar activiteiten. Op 21 april 2026 volgde de faillietverklaring. Volgens de werknemer had een andere onderneming, die al klant was, de activiteiten vóór het faillissement overgenomen. Daarbij wees hij op de overname van bedrijfsmiddelen, personeel en klanten en de voortzetting van de productie.
De werknemer stelde zich via zijn advocaat op het standpunt dat zijn arbeidsovereenkomst door die overgang van rechtswege bij de nieuwe onderneming was terechtgekomen. Hij vorderde daarom betaling van achterstallig loon en vakantiegeld. Zijn betoog kwam erop neer dat de overgang al vóór de faillietverklaring had plaatsgevonden, zodat de faillissementsuitzondering daaraan niet in de weg stond.
Waarom is het tijdstip van de overgang van belang?
Normaal gesproken gaan bij een overgang van onderneming de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten van rechtswege over op de verkrijger. Artikel 7:666, aanhef en onder a, BW maakt daarop een uitzondering wanneer de werkgever failliet is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort. Bij een overname vanuit faillissement geldt die werknemersbescherming dus in beginsel niet. Dat ligt anders wanneer de overgang al vóór de faillietverklaring heeft plaatsgevonden.
Oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter verwijst naar artikel 7:662 BW. Voor een overgang van onderneming is vereist dat een economische eenheid overgaat die haar identiteit behoudt. Bij die beoordeling zijn verschillende omstandigheden van belang, waaronder de aard van de onderneming, de overname van bedrijfsmiddelen en personeel, de voortzetting van activiteiten en de overname van de klantenkring.
De nieuwe onderneming betwistte echter dat zij de bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk had overgenomen. Volgens haar had zij slechts haar eigen productie, die voorheen was uitbesteed, weer in eigen beheer genomen. Dit betrof ongeveer 15% van de totale productie. Ook betwistte zij dat zij de klantenkring van de voormalige onderneming had overgenomen.
Volgens de kantonrechter zouden deze betwistingen in een bodemprocedure zeer waarschijnlijk aanleiding geven tot nader bewijs over onder meer de overgenomen activa, de productieactiviteiten, de klantenkring en het personeel. Voor die bewijslevering was in dit kort geding geen plaats. Op basis van de stellingen en stukken was daarom onvoldoende aannemelijk dat de werknemer door een overgang van onderneming recht had op loonbetaling door een van de aangesproken ondernemingen. De vorderingen werden afgewezen. Daarmee staat niet vast dat géén overgang heeft plaatsgevonden: daarvoor kan nader onderzoek in een bodemprocedure nodig zijn.





