Bijna twee jaar na het vonnis van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2024:3987), heeft het gerechtshof Amsterdam op 16 juni 2026 een belangrijk arrest gewezen over de positie van werkers die via het platform Temper opdrachten uitvoeren. Waar de rechtbank eerder nog oordeelde dat geen sprake was van een uitzendovereenkomst, komt het hof in hoger beroep tot een andere conclusie. Volgens het hof kwalificeren de arbeidsrelaties tussen Temper en de werkers wél als uitzendovereenkomsten in de zin van artikel 7:690 BW. Dat oordeel is opvallend, omdat Temper zichzelf jarenlang heeft gepositioneerd als een digitaal platform dat zelfstandige werkers rechtstreeks in contact brengt met opdrachtgevers.
Meer dan een digitaal prikbord
In zijn beoordeling kijkt het hof nauwkeurig naar de rol die Temper in de praktijk vervult. Hoewel werkers en opdrachtgevers formeel overeenkomsten van opdracht sluiten, beperkt Temper zich volgens het hof niet tot het enkel bij elkaar brengen van vraag en aanbod. Het platform organiseert het volledige proces rondom de werkzaamheden: van het aanbieden van opdrachten en het selecteren van werkers tot de administratieve afhandeling en betaling.
Daarbij acht het hof van belang dat werkers via het platform ter beschikking worden gesteld aan opdrachtgevers om onder hun leiding en toezicht werkzaamheden uit te voeren. Juist die terbeschikkingstelling vormt een essentieel kenmerk van de uitzendovereenkomst. Dat werkers zich als zzp'er registreren of gebruikmaken van een modelovereenkomst van opdracht, doet daar volgens het hof niet aan af.
Collectief oordeel mogelijk
Opvallend is dat het hof expliciet afwijkt van de lijn die eerder in de Uber-zaak werd gevolgd. Daar speelde juist een belangrijke rol dat de individuele omstandigheden van chauffeurs sterk uiteenliepen, waardoor geen algemeen oordeel over alle chauffeurs kon worden gegeven.
Bij Temper ziet het hof dat anders. De beoordeling draait volgens het hof voornamelijk om de uniforme wijze waarop het platform functioneert. Omdat de werkwijze voor alle werkers in essentie gelijk is, kan wél een collectief oordeel worden gegeven over de juridische kwalificatie van de relatie tussen Temper en de werkers. Het hof verklaart daarom voor recht dat sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en alle personen die via het platform werkzaamheden verrichten of hebben verricht.
Belangrijke gevolgen voor de praktijk
De grootste betekenis van het arrest ligt echter in de kwalificatievraag. Het hof maakt duidelijk dat platformbedrijven niet kunnen volstaan met het gebruik van zzp-contracten wanneer hun feitelijke rol sterk lijkt op die van een uitzendonderneming. Voor organisaties die werken met grote groepen zelfstandigen bevestigt deze uitspraak opnieuw dat rechters steeds nadrukkelijker kijken naar de economische werkelijkheid achter de gekozen constructie. Niet de naam van de overeenkomst, maar de wijze waarop het werk daadwerkelijk is georganiseerd, bepaalt uiteindelijk de juridische kwalificatie.





