Terechte afwijzing van verzoek om werkdagen van negen uur

Terechte afwijzing van verzoek om werkdagen van negen uur

Op 17 maart 2026 oordeelde de kantonrechter van de Rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2026:1499) dat een werkgever niet kon worden verplicht om in te stemmen met een verzoek van een werknemer om zijn werkweek van 40 uur om te zetten naar een 36-urige werkweek met vier werkdagen van negen uur. De werknemer beriep zich op de Wet flexibel werken (“Wfw”), maar de belangenafweging die door de rechter moest worden gemaakt viel uit in het voordeel van werkgever.

Achtergrond van de zaak

De werknemer was sinds 2006 in dienst voor 40 uur per week en verzocht zijn werkgever om zijn arbeidsduur te verminderen naar 36 uur per week, verdeeld over vier dagen van negen uur, met een vaste vrije dag. De werkgever stemde in met de urenvermindering en de vrije dag, maar wees het verzoek om werkdagen van negen uur af. In plaats daarvan bood de werkgever twee alternatieven aan: een werkweek van afwisselend vier en vijf dagen van acht uur, of een structurele vierdaagse werkweek van acht uur per dag (32 uur per week). Volgens de werknemer woog zijn belang bij een vaste vrije dag zonder te veel inkomensverlies zwaarder dan het belang van de werkgever bij werkdagen van maximaal acht uur.

Toepassing van de Wet flexibel werken

De kantonrechter stelde vast dat het verzoek van de werknemer moet worden beschouwd als een verzoek in de zin van de Wfw. Daarbij is van belang dat een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur in beginsel moet worden ingewilligd, tenzij sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Voor de spreiding van de uren geldt echter een andere toets: de werkgever mag afwijken van de wens van de werknemer als zijn belang naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zwaarder weegt dan het belang van de werknemer.

Het verweer van de werkgever dat geen geldig verzoek was gedaan, werd verworpen. Ook het standpunt van de werknemer dat sprake zou zijn van een automatisch gehonoreerd verzoek wegens te late reactie, hield geen stand. De werkgever had tijdig en inhoudelijk gereageerd.

Belangenafweging

De kern van het geschil lag bij de belangenafweging. De werknemer voerde aan dat hij een vaste vrije dag nodig had voor zijn werk-privébalans en mentale rust. Vier dagen van acht uur (32 uur) zou voor hem financieel niet haalbaar zijn. De werkgever stelde daartegenover dat werkdagen van meer dan acht uur onwenselijk zijn vanwege rooster- en organisatorische problemen als meerdere werknemers vergelijkbare verzoeken doen, het risico op onderbezetting en mogelijke negatieve effecten op productiviteit en belastbaarheid. Ook wilde de werkgever precedentwerking voorkomen en wees zij op het bestaande beleid waarin een werkdag van acht uur de norm is.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter volgde de werkgever. Doorslaggevend was dat de werkgever alternatieven had geboden en dat de werknemer geen zwaarwegende persoonlijke omstandigheden had aangevoerd. Het algemene belang van een betere werk-privébalans was daarvoor naar mening van de kantonrechter onvoldoende. De werkgever mocht het verzoek om werkdagen van negen uur daarom weigeren.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak laat zien dat een verzoek tot aanpassing van de spreiding van werktijden onder de Wfw niet zonder meer wordt toegewezen. De kantonrechter hecht in dit geval waarde aan het feit dat de werkgever zijn belang bij het handhaven van werkdagen van maximaal acht uur concreet had onderbouwd, onder meer met een beroep op beleid, organisatorische gevolgen en het voorkomen van precedentwerking. Ook speelde mee dat de werkgever alternatieven had aangeboden. Voor werknemers geldt dat een algemeen beroep op werk-privébalans niet altijd voldoende is om een afwijkende spreiding van uren af te dwingen.

Share on XShare via emailShare on LinkedIn

Ga naar
kantoren

Ga naar kantoren