Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari 2026, na terugverwijzing van de Hoge Raad, een belangrijke streep gezet door het eerdere vonnis van de rechtbank in de zaak over de arbeidsrechtelijke status van Uber-chauffeurs. Waar de rechtbank oordeelde dat de Uber-chauffeurs als werknemers moesten worden aangemerkt, komt het hof tot een wezenlijk andere conclusie: op basis van de beschikbare gegevens kan níet worden vastgesteld dat de chauffeurs die via Uber rijden dat doen op basis van een arbeidsovereenkomst. Het hof legt hierbij met name nadruk op de sterke mate van ondernemerschap.
Het hof bevestigt in dit arrest dat de kwalificatievraag of sprake is van een werknemer of een zelfstandige niet draait om één beslissend criterium, maar om een totaalweging van omstandigheden. Cruciaal is dat ‘ondernemerschap’ niet slechts een bijzaak is, maar in concrete gevallen zó zwaar kan wegen dat het de balans kan laten omslaan: zelfs als er ook elementen aanwezig zijn die eerder richting werknemerschap wijzen. Het hof laat daarmee expliciet zien dat het mogelijk is dat twee werkenden die vergelijkbaar werk doen, juridisch toch anders worden gekwalificeerd, als hun economische positie en ondernemerschap wezenlijk verschillen.
Daarnaast maakt het hof duidelijk waarom het in deze procedure niet lukt om een algemeen oordeel over ‘alle Uber-chauffeurs’ te geven. De vakvereniging vorderde een verklaring voor recht dat álle chauffeurs als werknemer kwalificeren en dat de Taxi-cao daarom op hen van toepassing is. Het hof zegt dat sommige chauffeurs werknemer kunnen zijn, afhankelijk van hun persoonlijke situatie. Omdat de groep chauffeurs echter zeer divers is en er te weinig concrete gegevens zijn over individuele omstandigheden of duidelijk afgebakende subgroepen, kan het hof niet vaststellen welke chauffeurs dit precies betreft. Zolang dit niet duidelijk is, kan er ook geen algemene beslissing worden genomen over loon, toeslagen of andere vergoedingen. De vorderingen stranden dus niet alleen op inhoud, maar vooral ook op het gebrek aan algemene kenmerken per groep met een onderbouwing.
Wat het hof wél concreet invult, is hoe zwaar ‘ondernemerschap’ in deze casus weegt bij de chauffeurs die zich in hoger beroep voegden. Het gaat dan niet om een papieren ondernemerslabel, maar om tastbaar ondernemersgedrag: substantiële investeringen (met name in de auto), vrijheid in werktijden, strategische keuzes in het wel of niet accepteren van ritten en het sturen op rendabele uren, werken via meerdere platforms en het dragen van risico’s zoals aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Het hof hecht er bovendien waarde aan dat deze chauffeurs in een (van oudsher) ‘zelfstandigenmarkt’ opereren. Juist die combinatie maakt volgens het hof dat hun positie eerder past bij het zijn van zelfstandige dan bij het zijn een werknemer van Uber.
De belangrijkste conclusie van dit arrest is dat de beoordeling van de kwalificatievraag voor organisaties die met zelfstandigen werken in toenemende mate draait om het totaalplaatje: niet alleen contractteksten of één factor zijn doorslaggevend, maar ook de feitelijke inrichting van het werk en de mate waarin iemand zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt én dat ook kan dragen. Dit criterium van ‘ondernemerschap’ legt meer gewicht in de schaal dan mogelijk eerst werd verwacht. Tegelijk blijft de waarschuwing overeind dat individuele gevallen verschillend kunnen uitpakken, omdat niet alle zelfstandigen altijd hetzelfde gekwalificeerd worden. Wie met zzp’ers werkt die onder feitelijke leiding van de opdrachtgever staan, weinig eigen risico lopen of nauwelijks eigen ondernemersruimte hebben, kan niet automatisch leunen op deze uitspraak; het hof laat die deur bewust open.





