Wetsvoorstel Personeelsbehoud bij crisis

Wetsvoorstel Personeelsbehoud bij crisis

Halverwege vorig jaar is het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis (Wpc) verschenen. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet voorkomen dat werkgevers in uitzonderlijke crisissituaties direct in de problemen komen en werknemers hun baan verliezen. Het gaat hierbij om onvoorzienbare omstandigheden die buiten het normale ondernemersrisico vallen, zoals oorlogen, pandemieën of natuurrampen. De Wpc maakt deel uit van het bredere arbeidsmarktpakket dat minister Van Gennip in 2023 presenteerde en is sinds mei 2024 via internetconsultatie openbaar. Met dit wetsvoorstel wordt voortgebouwd op de ervaringen met de Werktijdverkorting en de tijdelijke NOW-regelingen tijdens corona. Waar de in de pandemie niet opgewassen bleek tegen de enorme hoeveelheid aanvragen, en de NOW als noodmaatregel moest worden opgetuigd, kiest de wetgever nu voor een structureel en uitvoerbaar kader. Het is de bedoeling dat hiermee sneller en beter op een crisis kan worden gereageerd.

Kern wetsvoorstel

De kern van het wetsvoorstel is dat bedrijven die over een periode van twee maanden gemiddeld minstens twintig procent minder werk hebben, tijdelijk (maximaal zes maanden) gebruik kunnen maken van de regeling. Zij krijgen daarbij twee opties. De eerste is herplaatsing: werknemers kunnen tijdelijk eenzijdig ander passend werk krijgen binnen de onderneming of het concern, met behoud van honderd procent loon. Extra reistijd telt daarbij als werktijd en extra reiskosten moeten worden vergoed. De tweede mogelijkheid is het verlagen van het loon over de niet-gewerkte uren met tien procent. In dat geval kan de werkgever via het UWV een subsidie ontvangen van 65% van de loonkosten over die uren, tot het maximumdagloon. Beide middelen kunnen gecombineerd worden, maar niet tegelijkertijd over dezelfde uren. Aan deze instrumenten is een duidelijke ontslagbescherming verbonden. Tijdens het crisistijdvak en de vier maanden daarna mag voor de betrokken werknemers geen ontslag wegens bedrijfseconomische redenen worden aangevraagd. Ook de rol van de ondernemingsraad is aangepast aan het crisiskarakter: advies moet binnen twee weken worden uitgebracht en eventuele procedures bij de Ondernemingskamer kennen eveneens korte termijnen.

Kritiek Raad voor de rechtspraak

De Raad voor de rechtspraak ziet de meerwaarde van een opschaalbare crisisregeling, maar wijst ook op onduidelijkheden. Het begrip crisis is nog niet scherp omlijnd, en er is kans dat werkgevers naast een UWV-traject ook in een civiele procedure belanden. Daarnaast is niet duidelijk hoe werkgevers werknemers moeten selecteren bij herplaatsing of vermindering van uren, en hoe het moet bij personeelsvennootschappen of AOW-gerechtigde werknemers. Het is de vraag of de sanctie bij overtreding van de ontslagrem (slechts tien procent terugbetaling van de subsidie) wel voldoende prikkel geeft.

Tot slot

Voor werkgevers kan de Wpc in de toekomst een waardevol instrument zijn om personeel te behouden in een uitzonderlijke crisis. Het biedt meer houvast dan de noodmaatregelen uit het verleden, maar vraagt tegelijk om zorgvuldige administratie, tijdige betrokkenheid van de ondernemingsraad en een correcte inrichting van de loonadministratie. Alleen zo kan de regeling in de praktijk echt werken zoals bedoeld.

Share on XShare via emailShare on LinkedIn

Ga naar
kantoren

Ga naar kantoren