Een onderneming met schulden kan zelf een herstructureringsvoorstel doen – een zogenoemd akkoord – of de rechtbank verzoeken om een herstructureringsdeskundige te benoemen die daarbij ondersteuning biedt. In beide gevallen moet de onderneming eerst haar schuldeisers in verschillende groepen indelen. Die indeling gebeurt op basis van de juridische en economische positie van de schuldeisers. Zo zal een bank met zekerheden doorgaans in een andere groep worden geplaatst dan de Belastingdienst, die een wettelijke voorrangspositie heeft. Leveranciers vormen vaak weer een aparte groep.
Zodra de groepen zijn vastgesteld, wordt bekeken welk voorstel aan elke groep kan worden gedaan. Daarbij is de waarde van het bedrijf doorslaggevend – zowel bij voortzetting van de onderneming als in een faillissementsscenario. Op basis van die waardering wordt een fictieve verdeling gemaakt over de schuldeisers. Voor zover een vordering uitkomt boven wat een schuldeiser in een faillissement naar verwachting zou ontvangen, kan dat meerdere via de WHOA worden “afgevloeid” – oftewel kwijtgescholden.
Een voorbeeld: stel dat een schuldeiser een vordering heeft van €100, maar op basis van zijn positie en de waarde van het bedrijf in een faillissement hoogstens €50 zou ontvangen. Dan geldt het meerdere – €50 – als ongedekt. Het akkoord kan inhouden dat hij dat deel moet afschrijven.
Het uitgangspunt van de WHOA is dat schulden die het economisch realistische herstelvermogen van het bedrijf overstijgen, kunnen worden weggesaneerd. Zo krijgt een levensvatbare onderneming een tweede kans, terwijl de waarde voor schuldeisers zoveel mogelijk behouden blijft.



































































